Kessel – Gent (2)

woensdag 22 juli 2009 16u54 | Isabelle Van Deuren | 3 reacties
Trefwoorden: .

Ochtend. Hond des huizes staat in volle zonlicht voor het open slaapkamerraam druk te communiceren met overbuurvrouw en bijbehorend maltezer-gewoefte. Mijn innerlijke klok registreert een, voor dit Gentsefeestelijke ochtendgloren, haast onmenselijk vroeg uur.
De langslaper in mij wil het nest niet uit, neemt op automatische piloot een kussen in beide handen met de bedoeling dit bovenop haar hoofd te deponeren teneinde slaapverstorende geluiden te dempen. Een proces dat wreed verstoord wordt doordat zich in de krochten van mijn geest het besef begint te vormen dat één en ander afwijkt van de dagdagelijkse routine. Hij is al wakker, zit mij observerend aan te staren. Mij én hond. Niet begrijpend dat ik niet van bij de eerste blaf uit mijn bed gesprongen ben. Het volstaat niet te zeggen dat ik lijd aan een vorm van selectieve ochtendlijke doofheid die GSM-, wekker- en kefgeluiden als storend en dus direct in de afvalbak te deponeren achtergrondlawaai registreert.

Hij schudt meewarig zijn hoofd: die tante toch! Maar er is geen ontkomen aan. Triomfantelijk troont hij me mee de trap af, spoort me aan koffie en chocomelk te maken en maakt me duidelijk dat er geen tijd meer te verliezen is. Tijdens zijn verblijf in Gent dient elke seconde geconsumeerd als ware het de meest sublieme lekkernij. Nog tijdens mijn eerste tas koffie wordt een spoedvergadering belegd, het programmaboekje tussen ons op tafel en geen tegenspraak duldend overloopt hij de diverse mogelijkheden. De zon is in al haar hevigheid aanwezig dus wordt geopteerd voor een boottocht. Jonathan is resoluut: het moet er wel ééntje zijn mét gratis ijsje. Met minder neemt hij geen genoegen.

Kessel

Wat een luxe moet het zijn. Eén keer per jaar de scepter van sprookjesland in eigen handen. De wereld omgeven door een alles mogelijk makend elfenstof.

Twee uur later staan we, enig sardiengevoel mag niet ontbreken, te wachten tot er een felbegeerd plaatsje vrijkomt op één van de bootjes van Gent. En dan is het eindelijk zover. We verlaten de begane grond.
Het gaat hem niet zozeer om de vakkundige uitleg ons gegeven door de gids. De dingen die hij mij, met zeeroversblik aanwijst, zijn ook niet de in de brochures aangeduide blikvangers, ze vormen dus een niet te schatten meerwaarde: de mama-eend met kleintjes, een halfverborgen waterschildpad. Het Gravensteen verandert één wonderlijke seconde in een in te nemen burcht. Elke brug in een roestig scharniersel dat zich elk moment kan loswrikken om ons door te laten mocht onze boot uit zijn voegen barsten.

Kessel Kessel

Wanneer ons bootje de “Kabouter Plopboot” kruist, duelleert het kind Jonathan met de aankomende puber. Hij krijgt het moeilijk over zijn lippen maar deelt mij toch mee dat hij zichzelf al te groot inschat voor dergelijk vertoon. De schalks verborgen blik die hij echter niet kan verbergen als hij mij uitlegt dat de dame die ik een soortement kabouterdans zie uitvoeren “Smal” heet, vertelt een ander verhaal.

Het is warm. Drukkend warm. De hitte vleit zich als een te warm donsdeken op onze huid. Zelfs het zo felbegeerde ijsje biedt nauwelijks verlichting. De Gentse binnenstad puft onder het gewicht van zovele bezoekers en zoveel zon. Jonathan heeft nood aan enige actie. “Het spookhuis” deelt hij me mee “is overdekt”. Hij besluit dat het daar dus wel ietwat koeler zal zijn. Niet dus.
Te midden van een allegaartje vampieren, krijsende zombies, vervormde omgevingsfactoren en schuinlopende bruggetjes voel ik mij als een kip die zich heeft weten los te wrikken van het spit maar verdwaald is in ovense krochten. Jonathan, echter, lijkt totaal geen last te hebben van de beklijvende hitte. Overweldigd als hij wordt door deze griezelfilm van topniveau die hij aan den lijve mag ondervinden, waant hij zich Harry Potter.
Jaar na jaar heb ik zijn moed hier zien toenemen. Waar is het vijfjarige jongetje dat zich met behulp van een zaklamp dapper een weg baande doorheen het spokenbezwerende bestaan?
Een jaar later volstond de zwakke belichting van een fietslampje en nu, dames en heren, anno 2009, doet hij het helemaal zonder.
Helemaal gerust is hij er nog niet in. Slaakt heimelijk een zucht van verlichting wanneer we eindelijk weer op zonnige bodem staan. Slaat zichzelf nog eens op de borst: “We hebben het toch maar gedaan, zo helemaal in het donker”.

Kessel

Wat later vinden we, een zijstraatje van Sint Jacobs ingeslagen, de thuishaven van de Gentse reuzen terug. Ik zie ze doorheen zijn ogen transformeren. Hij kan er niet genoeg van krijgen. Enerzijds wetend dat het een mens vraagt om ze tot leven te wekken. Anderzijds nog meer dan voldoende kind om een dergelijke illusie helemaal zelf te verwezenlijken. Hij wil met hen op de foto, hand in hand. Ziet er naast deze uit de kluiten gewassen creaturen opeens weer zo klein en breekbaar uit. Een herinnering om te koesteren. Ik geef hem een knuffel.

Het kan niet uitblijven. Gent heeft om een douche gevraagd en zal ze krijgen ook. Donkere wolken pakken zich samen boven de binnenstad. Samen met hen pakt het allegaartje mensheid dat zich hier heeft verzameld samen onder al wat voor beschutting kan zorgen.
Binnen een tijdspanne van nog geen half uur is de zomerse broeierigheid omgetoverd tot verregend grauw.

Het sardiengevoel neemt met de seconde toe. Wat zeg ik u?: een sardientje heeft nog meer bewegingsvrijheid dan wij op dit eigenste moment. Het onweer zorgt voor een onverwacht schouwspel. Het onvoorspelbare van de natuur. Je hebt niet alles in de hand. Ook Jonathan ondervindt dat hier ter plekke. Terwijl hij enerzijds naar de zich verzamelende regendruppel-riviertjes aan zijn voeten staart houdt hij minuscuul bij welke wolk wanneer passeert en of die er zwarter of witter uitziet dan de vorige. Kwestie van weten of de lucht opklaart of niet.

Ons wachten wordt uiteindelijk beloond. Na wat een eeuwendurende wolkbreuk lijkt, priemt het eerste straaltje zonlicht weer door de hemel. Het Emile Braunplein afdrogend als ware het een badhanddoek van topkwaliteit. Al vlug baadt Gent weer in warme weelde en vinden wij een plekje op de eerste rij van de tribune.

Kessel Kessel

We kijken naar het poppenspel van “Modus”. Een poppenspeler die broekspijpen en handen deelt met een klein figuurtje dat dolgraag een muziekstuk wil dirigeren maar daarbij door allerlei factoren wordt gehinderd. Jonathan geniet. De kunst van het poppenspel: na enkele seconden zien we enkel nog de pop. Worden we meegevoerd door dit gefrustreerde kereltje dat zich door zowel interne als externe factoren gedwarsboomd weet. Ademloos reizen we mee. Tijd even onbestaand. Net als de figuur achter dit mannetje, die verschijnt pas weer als het spel teneinde is. Bij het applaus.

Enigszins tegen onze zin begeven we ons naar huis. De innerlijke mens dient gespijsd, dient even tot rust te komen ook. De dag is immers nog lang niet teneinde. Le moment suprême is nog op komst.
Wat is voor een kind indrukwekkender dan vuurwerk? Eén van mijn eerste herinneringen. Ik zal een jaar of vier geweest zijn en het spektakel wellicht minder indrukwekkend dan wat ons vanavond te wachten staat. Maar de vuurpijlen van toen staan nog steeds op het netvlies van mijn verleden gebrand. Ik gun het mijn neefje dan ook keer op keer weg te dromen bij dit vluchtige maar desalniettemin imponerende kunstwerk.

Vergroeid zijn met Gent heeft zo zijn voordelen. Al is het maar dat ik mijn privé-vuurwerk tribune heb. Een vriend van me woont in één van de grote appartementsblokken aan “De Groene Vallei”. Mét zicht op de Watersportbaan, jawel. Om 11 uur staan we dan ook, de verwachting gespannen als een knetterend netwerk van elektriciteitsdraden, voorzien van natje en droogje, klaar voor de eerste knal.
Eens de aftrap gegeven gaat het allemaal veel te snel, zoals dat nu eenmaal gaat met mooie liedjes en aanverwante ervaringen. Jonathan geniet, en wij samen met hem.
Een ingewikkeld spel van kleur en muziek ontvouwt zich voor onze ogen. We komen zintuigen te kort om dit alles te vatten.
De verkoelende avondlucht zorgt voor de perfecte randomkadering.
“Het mooiste vuurwerk van mijn leven”, juicht mijn neefje. En als ik hem zo zie, kan ik niet anders dan hem volmondig gelijk geven.

© 2009 GENTBLOGT VZW

3 reacties »

  1. Reactie van Hans Dc

    Pakkend geschreven. Weer eens een andere kant van de feesten in woord en beeld gebracht.

    Is dat het spookhuis op de kermis of mis ik iets?

  2. Reactie van Edcandy

    Wees nu eens eerlijk :Isabelle en Jonathan zijn super
    dat is het minste wat men zeggen!!!!!

  3. Reactie van Edcandy

    Ik had een woordje vergeten:wat men KAN zeggen.Sorry.