Albert Sugg en de Belle Epoque in Gent: Série 1 (86) Kunstschatten in Sint-Baafskathedraal

vrijdag 9 januari 2015 9u43 | Arthur De Decker (tekst), Jos Tavernier (beeld) | 3 reacties
Trefwoorden: , , , .

Gezien het buiten bar koud is blijven we in deze zesentachtigste aflevering over de postkaartenserie nr. 1 van Albert Sugg binnenkamers en toont Arthur De Decker enkele kunstschatten in de Sint-Baafskathedraal, de vroegere Sint-Janskerk. Hij bespreekt enerzijds het grafmonument van bisschop Triest en anderzijds het schilderij Het Lam Gods.

Serie 1 nr. 279 Sint-Baafskathedraal. Mausoleum van Bisschop Triest (Jérôme Duquesnoy 1642-1645)

Serie 1 nr. 279 Sint-Baafskathedraal. Mausoleum van Bisschop Triest (Jérôme Duquesnoy 1642-1645)

De Sint-Baafskathedraal heeft ontelbare grafmonumenten, epitafen en grafzerken gekend die in de loop der eeuwen zijn verdwenen en door nieuwe exemplaren zijn vervangen. De nu nog bestaande praalgraven van bijvoorbeeld de bisschoppen Carolus Maes (1595-1612), Carolus van den Bosch (1609-1665), Eugeen D’Allamont (1627-1673), Johannes de Smet (1674-1741), Maximiliaan Van Der Noot (1685-1770), Govardus van Eersel (1713-1778) zijn terug te vinden rond het koor recht over de zijkapellen. In het noorden van de kooromgang staat het praalgraf van bisschop Antonius Triest (1576-1657) in wit en zwarte marmer tussen twee kolommen achter een gesmeed ijzeren traliewerk. Dit is het enige praalgraf van de kathedraal waaraan postkaartenhandelaar Albert Sugg een kaart wijdt. Het monument kan aanzien worden als het eerste barokke beeldhouwwerk in de Nederlanden en is het werk van de beeldhouwer en architect Hiëronymus of Jérôme Duquesnoy de Jonge (1602–1654) Hij was de zoon van Hiëronymus Duquesnoy de Oudere en de broer van Frans Duquesnoy.

Hiëronymus Duquesnoy kreeg zijn opleiding van zijn vader in Brussel en in 1618 vertrok hij samen met zijn broer Frans naar Rome om zijn opleiding te voltooien. Later zouden ze uit elkaar gaan na een ruzie. Hij schijnt werkzaam geweest te zijn in Madrid, Lissabon en Florence voordat hij van 1641 tot 1643 weer in het atelier van zijn broer in Rome werkte. Na de dood van zijn broer keerde hij terug naar Brussel, waar hij aan een glanzende carrière begon. De gematigd barokke werken van zijn broer bleven een voorbeeld voor hem voor de rest van zijn leven. In 1644-1646 maakte hij vier apostelbeelden voor de Sint-Michielskerk in Brussel. Hij werd in 1651 benoemd tot hofarchitect en –beeldhouwer. In 1651 vervaardigde hij een beeld van de heilige Ursula voor de Zavelkerk in Brussel, zeker één van zijn meesterwerken, en in 1653 een Anna en Maria voor de Sint-Michielskerk in Brussel. Als architect ontwierp hij de O.L.V.-kapel (1651-1656) van die kerk.

Op de Suggkaart staan de jaartallen 1642-1645 vermeld. Sugg schreef blijkbaar deze jaartallen klakkeloos over van de door de beeldhouwer Louis van Biesbroeck (1839-1919) in 1901 opgestelde fiche nr. 214 “Inventaire Archéologique” over het praalgraf van Bisschop Triest.Het is duidelijk dat hier een inversie gebeurd is tussen de laatste twee cijfers 4 en 5, waardoor 1654 werd omgezet in het foutieve 1645. 1645 is trouwens volledig onmogelijk daar pas in 1651 een contract werd opgesteld voor het grafmonument van bisschop Antonius Triest. Reeds in 1642, dus nog voor zijn dood, klopt Antonius Triest wel aan bij François Duquesnoy, maar de kunstenaar weigert de opdracht omwille van zijn geplande reis naar Frankrijk. François Duquesnoy maakt evenwel enkele terracotta modellen voor putti voor het grafmonument. Hoewel het nieuwe contract de modellen niet vermeldt, nam Jérôme de ontwerpen van zijn broer over. Het werk is geplaatst in een architecturale omlijsting, en toont Maria en Christus die op het beeld van de bisschop neerkijken. In de uitgebreide Latijnse tekst onder het ligbeeld van de bisschop staat: “Antonius, zevende bisschop van Gent, verlangde dat, wat hij sterfelijk had, hier werd neergelegd. Priester, terwijl gij van het altaar neerdaalt, u verzoekt hij met aandrang dat gij, wat gij de overledene schuldig zijt, zoudt inlossen: besprenkel dit met wijwater, en voor het onsterfelijke, bid om de eeuwige rust en vaarwel.” In 1985 schrijft Alfons De Buck in Ghendtsche Tydinghen: “Nu nog, na het eindigen van de kapitelmis die iedere dag begint te 8.45 uur wordt het ligbeeld van Antoon Triest met wijwater besprenkeld. Daartoe staat bij het grafmonument een emmer met wijwater en –kwast.” Of dit nu nog het geval is weet ik niet.

In augustus 1654 werd de 52 jaar oude en ongehuwde Hiëronymus beschuldigd van pederastie, in die tijd zei men “sodomie ende andere schurruliteyten”, omwille van het seksueel misbruik van twee jongens: de achtjarige schoenmakerszoon Toussaint Desomere en de elfjarige Jakob Declercq, een koorknaap van de Sint-Niklaaskerk. Zij verklaarden dat Jeroom Duquesnoy meerdere malen erge zedenfeiten op hen had gepleegd, in zijn huis aan de Reep en ook in een kapel van de kathedraal. De kunstenaar loochende dit ten stelligste en verklaarde dat hij beide knapen in zijn werkplaats in de kathedraal had ontvangen, maar enkel om potloodschetsen van hen te maken. In september 1654 verklaarde hij echter onder tortuur wel schuldig te zijn aan de hem ten laste gelegde de feiten. In die tijd was het afdwingen van bekentenissen door middel van martelling schering en inslag. Velen bekenden op deze wijze feiten die ze nooit hadden begaan. Deze onmenselijke praktijk werd in onze gewesten afgeschaft door Keizer Jozef-II van Oostenrijk. De bekentenis betekende voor de verdachte de doodstraf. Nu werd alles in het werk gesteld om de kunstenaar te redden. Zelfs Antonius Triest steunde een smeekschrift om de doodstraf om te zetten in levenslange hechtenis om zo Duquesnoy niet te laten verloren gaan voor de kunst. Desondanks werd hij op 28 september 1654 veroordeeld tot wurging aan de staak, gevolgd door verbranding op de Korenmarkt van Gent: “condempneren U op de Cooremerck deser stede aen eenen staeck ghewoelt ende verbrant te worden in asschen”. Het vonnis werd nog dezelfde dag voltrokken door de Gentse beul. Maar ook de argeloze knapen ontsprongen de dans niet: de oudste werd voor zes jaren uit het land gebannen, de jongste werd naar Spanje gezonden

279 goed

Over dit grafmonument, waarvan hier een recente foto van Jos Tavernier, vertellen sommige toeristengidsen volgende stadsmythe: Op de dag van zijn terechtstelling vroeg de pedofiel Jeroom Duquesnoy als laatste wens nog eens het graf van bisschop Triest te mogen zien dat hij pas voltooid had. Men gunde hem dit en toen hij naar de brandstapel werd geleid maakte de beul een omweg langs de kathedraal. Het was Dusquenoys bedoeling om het beeld te breken en zo gratie te bekomen op voorwaarde dat hij het beeld opnieuw zou herstellen. Bij het monument aangekomen greep Dusquenoy een hamer en hief de arm boven het hoofd van de bisschop, maar een bewaker wierp zich voor hem waardoor enkel de linker wijsvinger van het beeld brak. Geen enkel archiefstuk staaft dit verhaal. Het is wel waar dat die linker wijsvinger ooit is gebroken bij een poging tot verplaatsen van het monument teneinde het in veiligheid brengen voor het Franse revolutionair leger. Na het ongeval met de gebroken vinger verzaakte men aan het overbrengen van het monument teneinde verder onheil te voorkomen. In 1731 werd de vinger hersteld.

Serie 1 nr. 318 Hubert en Jan van Eyck. De aanbidding van het Lam. Voornaamste paneel. Het werk werd voor het eerst tentoongesteld in Gent op 6/5/1432

Serie 1 nr. 318 Hubert en Jan van Eyck. De aanbidding van het Lam. Voornaamste paneel. Het werk werd voor het eerst tentoongesteld in Gent op 6/5/1432

In de serie 1 postkaarten over Gent van Albert Sugg mocht uiteraard de Lam Godsretabel in de Sint-Baafskathedraal niet ontbreken. Aan de basis van dit fascinerende werk uit de laat middeleeuwse kunstgeschiedenis lagen twee welstellende burgers, Judocus Vijd en Elisabeth Borluut. Dit echtpaar behoorde tot de invloedrijke elite van de 15de-eeuwse Gentse maatschappij. Judocus Vijd zetelde herhaaldelijk als schepen in het stadsbestuur en fungeerde zelfs enige tijd als voorschepen, zeg maar burgemeester. Elisabeth Borluut was een afstammeling van één van de machtigste families uit het middeleeuwse Gent. Zoals hun status het eiste stonden ze in voor allerlei stichtingen op religieus, sociaal en cultureel vlak. Omstreeks 1420 namen ze de herstelling en versiering van een kranskapel in de kooromgang van de Sint-Janskerk voor hun rekening. Daarin wilden ze als apotheose een immens retabel plaatsen. Ze bestelden dit bij Hubert Van Eyck. Omdat deze kunstenaar in 1426 overleed bleef het retabel onafgewerkt. Zijn broer Jan (ca1390-1441) voltooide het in 1432. De plechtige inhuldiging van het veelluik, dat toen de Joos Vijds taeffele werd genoemd, vond plaats op 6 mei 1432, zoals correct aangegeven op de Suggkaart. Samen met de onthulling van het Lam Gods vierde men toen het doopfeest van het zoontje van Hertog Filips de Goede (1396-1467) en Isabella van Portugal. Jan van Eyck was immers hofschilder in dienst van deze Bourgondische hertog. Bovendien was 6 mei de feestdag van Sint-Jan de Evangelist, de patroon van de Vijd-kapel.

Het thema van dit meesterwerk, waarvan de Suggpostkaart enkel het middenpaneel toont, is de verlossing van het mensdom door het offer van Christus. Dit voornaamste paneel van het veelluik toont de verheerlijking van het Lam Gods, het eucharistisch symbool bij uitstek maar tevens het attribuut van Sint-Jan, de patroonheilige van de kerk. Alle maatschappelijke groepen nemen deel aan het gebeuren dat zich afspeelt in een paradijselijke wereld, onder de heerschappij van Christus. Het retabel had een uitgesproken onderwijzend karakter. Diverse figuren dragen een typisch voorwerp waardoor de gelovigen ze konden identificeren.

Het retabel werd alom geroemd en menig bezoeker aan Gent wou het zien. Oorspronkelijk was dit alleen mogelijk tijdens de diensten op zon- en feestdagen. Spoedig was een georganiseerd bezoek mogelijk mits het geven van een fooi. Het veelluik is door de eeuwen heen één van de belangrijkste bezienswaardigheden van Gent, naast het Gravensteen, de draak op het Belfort en de crypte van de kathedraal.

Voor nadere informatie zie: http://www.bernauw.com/2006/06/de-mythe-van-de-rechtvaard_115090284825752793.htmlhttp://gent-door-de-jaren.be/index.php?module=Nieuws&func=display&sid=274 en http://www.gentblogt.be/2014/09/08/paneel

318 aanbidding

In kleur ziet het centraal paneel van het Lam Gods er nu zo uit.

Met de zijpanelen er bij zien we onderstaand beeld en met de zijpanelen gesloten zien we het daar onder staande beeld.

De belangrijkste informatie vinden we terug op het reabel zelf. Op de onderste lijsten van de buitenluiken werd in het Latijn een kwatrijn geschilderd, dat beknopt weergeeft hoe het veelluik tot stand is gekomen. Vrij vertaald staat er: “Schilder Hubertus van Eyck, een groter heeft niet bestaan, is met (dit werk) begonnen en zijn broer Johannes, de tweede in de kunst, heeft die zware taak voltooid op verzoek van Joos Vijd. Door dit vers plaatst (hij) onder uw hoede wat tot stand kwam op zes mei (in chronogram) 1432”. Door dit dedicatieopschrift, waarvan de echtheid wetenschappelijk bewezen is, is het Lam Gods een van de best gedocumenteerde kunstwerken uit de 15de eeuw. Door dit opschrift kennen we de makers, de opdrachtgevers en de datum van de “onthulling”.

318 Lam-Gods

In het Museum voor Schone Kunsten (zie deel 84) is het Koninklijk Instituut voor het Kunst patrimonium (KIK) sedert oktober 2012 bezig met de restauratie van het wereldvermaarde meesterwerk van de gebroeders Van Eyck. Deze conservatie en restauratie behandeling zal zeker duren tot 2017. In het Provinciaal Cultuurcentrum Caermerklooster kan men tijdens de restauratieperiode het Lam Gods vanuit bijzondere invalshoeken leren kennen. De permanente tentoonstelling “Het Lam Gods ont(k)leed!” biedt via uitzonderlijke filmfragmenten, röntgenfoto’s, instrumenten en maquettes inzichten in zowel het Aardse (houten drager, opbouw van verflagen) als het Hemelse van de polyptiek. Ook de geschiedenis en de verschillene onderzoeken rond dit topwerk worden op nooit geziene wijze belicht. Tijdens de restauratie blijft Het Lam Gods in de kathedraal te bezichtigen. Zwart-wit foto’s vervangen tijdelijk de panelen die in behandeling zijn. Deze behandeling zou oorspronkelijk 5 jaar in beslag nemen doch door de onderstaande ontdekking komt daar nu anderhalf jaar bij.

318 buiten

Bij die restauratie is in 2014 namelijk aan het licht gekomen, dat wat jarenlang als werk van Van Eyck werd aanzien niet het originele Lam Gods is. De restaurateurs ontdekten dat zowat de helft van de 8 panelen van Eycks werk die worden gerestaureerd zwaar werden overschilderd. Dat gebeurde gedeeltelijk vóór 1550 doch er zijn ook overschilderingen van vóór de 17de eeuw. Dit betekent dat we dus al zo’n 4000 jaar niet naar de echte Van Eyck hebben gekeken. Door de vele vernislagen die in de loop der tijd werden aangebracht bleef dit tot nog toe onopgemerkt. Deze overschilderingen worden nu verwijderd om zo op het originele werk van Van Eyck uit te komen. Na afloop zal de buitenzijde er anders uitzien dan wat we op bovenstaande kleurenfoto zien.

Lees hier meer over de restauratie van het Lam Gods.

www.oost-vlaanderen.be/lamgods

www.sintbaafskathedraal.be

www.mskgent.be

Wie vanaf zijn computer thuis wil doordringen en inzoomen op de kleinste details kan dit door deze link: http://closertovaneyck.kikirpa.be

318 rechters

In 2014 was het 80 jaar geleden dat de Rechtvaardige Rechters, één van de panelen van het Lam Gods, waarvan hier de copie door Jozef Van der Veken gemaakt in 1938-1945, werd ontvreemd. Verleden jaar raakte bekend dat er een zeer goede kleurenfoto van het gestolen paneel is opgedoken in het restauratieatelier van het Louvre te Parijs. Vóór 1934 – de datum van de diefstal – bestonden er echter geen kleurenfoto’s van het originele schilderij van die kwaliteit!!! Hoe was dat mogelijk? Zie hier het verhaal.

Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog vreesde men dat de Duitsers het Lam Gods wilden stelen. Men stopte het retabel (exclusief de Rechtvaardige Rechters uiteraard) in houten kisten en stuurde die per camion naar het neutrale Italië. Nog voor de camion goed en wel vertrokken was sloot Italië zich aan bij Duitsland en de camion sloeg af naar Frankrijk, waar de collaborerende regering het Lam Gods aan de nazi’s overhandigde. Het retabel belandde samen met massa’s andere kunst in een zoutmijn in een Oostenrijkse berg.

In augustus 1941 werd de Duitse Oberleutenant Henri Koehn aangesteld om een onderzoek in te stellen naar het gestolen paneel van het Lam Gods. Hitler wilde namelijk het retabel opstellen in één van zijn optrekjes. Het probleem was dat er een paneel (de R.R.) ontbrak, wat men als storend beschouwde. Na een onderzoek te Wetteren begon Koehn te zoeken in de Gentse hoofdkerk en vond het paneel eind 1941 onder de trappen die leiden naar het hoogkoor, dat alleen te bereiken was via de crypte. Daar niemand hem dit voordien had voorgedaan wilde de Oberleutenant het paneel in zijn schuilplaats laten zitten tot kort voor het transport ervan naar Duitsland. Toen Koehn het schilderij echter wilde ophalen stelde hij tot zijn ontstentenis vast dat het verdwenen was! Deze fout is Koehn duur te staan gekomen, want hij werd naar het Oostfront gestuurd.

Op 22 december 1941 werd vicaris-generaal Leo De Kesel (1903-2001) benoemd tot erekanunnik. In die functie kon hij het doen en laten van Koehn gadeslaan en zorgen voor de verdwijning van het paneel uit de kathedraal. Een patriottische daad die wilde voorkomen dat het paneel in handen van de Duitsers viel.

In 1963 meende een Brugse inspecteur, zich baserend op de brieven van Goedertier (waarin o.a. stond dat “de rechtvaardige rechters berusten op een plaats waar ik noch iemand anders het kan weghalen zonder de aandacht van het publiek te trekkenen”) en zijn voorliefde voor de detectieveromans van Maurice Leblanc, te weten dat het Lam Gods zich in de Gentse kathedraal bevond. Een onderzoek in de kathedraal werd toen echter verhinderd door de tussenkomst van Leo De Kesel.

In 1971 reeds verscheen in de media het verhaal dat monseigneur De Kesel het paneel de Rechtvaardige rechters voor de neus van Koehn uit zijn schuilplaats kon laten verdwijnen waarna het werd ondergebracht in een kluis van een museum in Parijs. Vandaar dus dat het Louvre die kwalitatief hoogstaande kleurenfoto van het gestolen paneel in zijn archief heeft zitten

De hamvraag blijft natuurlijk: waar zit dat paneel van de Rechtvaardige Rechters nu?

© 2015 GENTBLOGT VZW

3 reacties »

  1. Reactie van BartVG

    Dus men heeft het paneel van de rechtvaardige rechters na 1934 dan tóch teruggevonden? Of begrijp ik dat verkeerd?

    • Reactie van Frans

      Een wild verhaal meer of minder. Ik lees zelfs dat we al zo’n 4000 jaar niet naar de echte Van Eyck hebben gekeken. Misschien zit het gestolen paneel in een piramide in Egypte…

      • Reactie van Arthur De Decker

        Sorry. Gelieve 4000 in 400 te veranderen aub.

        Het volgens u wilde verhaal is gebaseerd op een verklaring van monseigneur Leo De Kesel, voorzitter van de kerkfabriek van Sint-Baafs en later bisschop.
        Hoe verklaart u de kleurenfoto van het originele gestolen paneel in de archieven van het Louvre? Het betreft geen chromolithografie.